Mollige baby’s zijn plots niet schattig meer.
03/02/2012 in Homepage

Sinds afgelopen donderdag zijn dikke baby’s niet schattig meer. Artsen en wetenschappers besloten dat, omdat zij in een nieuwe richtlijn voor de jeugdgezondheidszorg de noodklok luiden over baby’s met overgewicht.
En daarbij kunnen ze het beeld van mollige, blakende zuigelingen niet gebruiken. Dat beeld stamt nog uit de tijd dat niet obesitas maar infectieziekten volksvijand nummer één waren. Een stevig kind, zo redeneerden artsen toen, was in ieder geval niet aan het doodgaan aan tuberculose en gaf daarmee aanzienlijk minder aanleiding tot ongerustheid dan zijn magere leeftijdsgenootjes.
Die tijden zijn geweest. Naar aanleiding van de richtlijn meldde vrijwel elke krant dat een kind dat met zes maanden te zwaar is, later in zijn leven vaak ook te dik is. Dat klinkt alarmerend, maar hoe vaak ‘vaak’ precies is, lijkt niemand te weten.
Ik vroeg het een van de richtlijnmedewerkers, kinderarts Joana Kist-van Holthe. De exacte kans is niet te geven, e-mailt ze terug. Beschikbare onderzoeken – ze was zo vriendelijk een overzichtsartikel mee te sturen – plaatsen de kans ergens tussen ‘minimaal’ en ‘flink’. Bovendien is er geen betrouwbare manier om overgewicht vast te stellen bij kinderen onder de twee. Maar dat hindert niet. De kans bestáát, en dus moet er onmiddellijk iets gebeuren.
Zoals altijd wanneer we in ons land een risico hebben ontdekt, is het antwoord: voorlichting. Om een vroegtijdig surplus aan kwabjes en flapjes te voorkomen, moet ouders verteld worden dat tussendoortjes linke soep zijn, en dat baby’s veel moeten bewegen en afgepast moeten eten. Er mag geen extra schepje kunstvoeding in de fles.
Naar die schepjes is zowaar onderzoek gedaan. Op het consultatiebureau mocht een dertigtal ouders reageren op de stelling: ‘Een extra schepje voeding extra in de fles is geen enkel probleem’. 36 procent van deze papa’s en mama’s was het hiermee eens.
Dat klinkt verontrustend, maar het waren opgeteld maar elf ouders, die er ruimhartige flesvoedingsprincipes op nahouden. Een magere beleidsbasis, zeker aangezien er dankzij de vraagstelling niets bekend is over hun daadwerkelijke schepgedrag en we dus geen idee hebben hoeveel baby’s er in het wild worden blootgesteld aan overmatig calorierijke flesjes.
Desalniettemin hopen de richtlijners dat heel vroeg ingrijpen loont in de oorlog tegen obesitas. Een zonnige insteek, waarvoor – wederom – elk wetenschappelijk bewijs ontbreekt. Of ouders nu worden gestimuleerd om hun baby borstvoeding te geven, of meer beweging of supergezonde voeding, de experimenten laten geen effect zien op het gewicht van spruitlief.
Nu snap ik best dat kinderartsen als reactie op hun zorgen over de breedtegroei van hun clientèle iets willen ondernemen. Maar deze overgewichtrichtlijn is niet de manier. Enkele jaren geleden noodklokten consultatiebureau-artsen nog dat ze zoveel gevaarlijk dunne kinderen zagen. Hun ouders durfden, uit angst voor obesitas, kleintjes niet meer gewoon te eten te geven.
Hoewel kinderarts Kist-van Holthe benadrukt dat baby’s niet op dieet mogen, ontstaat door zo’n ongefundeerde maar stigmatiserende ‘dik is niet schattig’-boodschap het gevaar dat de overgewichtpaniek opnieuw wordt aangewakkerd. Dat maakt een babyrichtlijn riskanter dan wat babyvet.
